Wanneer deze afbeelding nieuw voor je is ga dan terug naar....Onze ware identiteit en labels. Het lijkt bijna net een bordspel. Ga direct naar de gevangenis, ga niet langs start. Wanneer je in de gevangenis zit dan word je in in je doen en laten beperkt, meestal als gevolg van je eigen gedrag. Toen de Heer zijn nieuwtestamentische kerk door middel van de profeet Joseph Smith herstelde, werd er geen onderscheid gemaakt tussen "zwarte en witte, allen waren gelijk voor God". "Echter, vanaf het midden van de negentiende eeuw tot 1978 werden zwarte mannen van Afrikaanse afkomst niet tot het het priesterschap geordend en mochten zwarte mannen en vrouwen niet deelnemen aan de tempelbegiftiging of aan verzegelverordeningen". In dit opzicht werden zij in hun doen en laten beperkt, met dit verschil, dat zij geen schuld droegen aan deze beperking. Het probleem is echter dat in die periode, zowel door kerkleiders als -leden het nodige is onderwezen dat door de kerk nu is verworpen en dat zij "in deze tijd elke vorm van racisme in het heden of verleden veroordelen".
Mozes 7 is een uitgelezen kans om opnieuw uit één van die boeken uit het verleden te citeren. Echter dan sta ik opnieuw stil bij dit insect van racisme uit het verleden. Aan de andere kant, dit insect van racisme kan ook niet volledig door mij genegeerd worden, dit vanwege de doorwerking in het heden wat ik niet los kan zien van stil staan bij de wortels. De wortels hebben voor mijn gevoel echter ook te maken met context. Want waar plaats ik de restrictie in het plan van zaligheid, in het verbond van Abraham, in de herstelling van de nieuwtestamentische kerk, in wat vóórdat de wereld er was? Wat veel verder gaat dan de openbaring op het priesterschap in 1978, dat in wezen alleen de blaadjes schoon veegde. Waarschijnlijk onnodig om te zeggen, maar ik doe het toch...... ik ben nog niet klaar met dit ijsje.
Voor nu wil ik echter stil staan bij deze laatste alinea uit de evangelieverhandeling ras en het priesterschap: "De kerk verklaart dat verlossing door Jezus Christus voor de hele mensheid beschikbaar is volgens de voorwaarden die God eraan heeft verbonden. Ze bevestigt dat God niet iemand om de persoon aanneemt en verklaart uitdrukkelijk dat elke rechtschapen mens, ongeacht zijn of haar ras, genade vindt bij Hem. De leringen van de kerk met betrekking tot de kinderen van God worden samengevat in een vers uit het tweede boek van Nephi: De Heer verwerpt niemand die tot Hem komt, zwarte en witte, geknechte en vrije, man en vrouw, allen zijn voor God gelijk." Hebben "de voorwaarden die God eraan heeft verbonden" uiteindelijk ook niet te maken met de context waar ik het in voorgaande alinea over heb?
Ondertussen denk ik dat deze tekst uit het Boek van Mormon misschien wel de meest geciteerde tekst op mijn blog is. Naast natuurlijk de evangelieverhandeling ras en het priesterschap. Wie alleen zijn Schriften in het Nederlands leest, heeft misschien Scripture Helps, wat een nieuwe studiehulp is, gemist. Ik heb al eerder hieruit geciteerd. Dat was toen ik een logje had geschreven met de titel Speculaties rond de vloek van Kaïn. Onderstaande twee voorbeelden komen ook uit deze studiehulp. En ja, opnieuw gaat het over Kaïn, wat natuurlijk niet zonder reden is.
Wat weten we over de kinderen van Kanaän en hun vloek?
Er is weinig bekend over de inwoners van Kanaän die voor de zondvloed leefden. Ondanks de gelijkenis in naam, is er geen Bijbels bewijs dat suggereert dat deze mensen verwant zijn aan Kaïn. Evenmin is er bewijs dat ze verbonden zijn met de rechtvaardige bewoners van het land Kenan genoemd naar de overgrootvader van Henoch. Ze verschillen ook van Noachs kleinzoon Kanaän en van de Kanaänieten die vaak in het Oude Testament worden genoemd en die later kwamen. Henoch profeteerde dat de kinderen van Kanaän vervloekt zouden worden met onvruchtbaar land, blijkbaar omdat ze de inwoners van Shum hadden uitgeroeid. Het verslag vermeldt vervolgens dat duisternis over de kinderen van Kanaän kwam en dat ze veracht werden onder alle volken. Wat duisternis in dit vers betekent, is onduidelijk. Sommigen hebben aangenomen dat duisternis verwijst naar een donkere huidskleur, maar er is niets in de tekst dat deze interpretatie rechtvaardigt.
Wat betekent het dat het nageslacht van Kaïn zwart was?
Net als bij de beschrijving van de duisternis die over het volk van Kanaän kwam in Mozes 7:8, is de betekenis zwart in vers 22 onduidelijk. Een beschrijving van Kaïns nakomelingen, die eerder in het boek van Mozes te vinden is, vermeldt dat God hen niet diende omdat hun werken in het duister waren en zij de geboden van God niet hielden. Nadat Kaïn een onheilig verbond met Satan had gesloten en zijn broer Abel had gedood, sprak de Heer een vloek over Kaïn uit. De vloek van Kaïn hield in dat de grond geen gewassen voor hem zou voortbrengen, dat hij als een vluchteling zou rondzwerven en dat hij van Gods aanwezigheid zou worden afgescheiden. De Heer plaatste ook een ongespecificeerd teken op Kaïn om te voorkomen dat anderen wraak op hem zou nemen. Er is geen enkele aanwijzing in de Schrift dat Kaïns teken werd doorgegeven aan zijn nakomelingen. We moeten speculeren over de aard of het uiterlijk van het merkteken dat op Kaïn werd geplaatst, of over de vraag of de vloek op iemand anders dan hem van toepassing was, vermijden."
Bovenstaande teksten uit de studiehulp hebben allemaal op de een of andere manier te maken met een teken of een vloek. In het verleden heb ik een aantal stukjes geschreven over aanpassingen in de Schriften. Mozes 7 vers 8 en vers 22 zijn ook voorbeelden van aanpassingen in voetnoten van de Schriften. Beide verzen, wat in het verleden niet zo was, verwijzen nu naar 2 Nephi 26:33. Dit lijkt misschien een kleinigheid, maar geloof me, dat is het niet. Zeker als je ze leest in de context van de Officiële Verklaring 2: "In de tijd van Joseph Smith is een klein aantal zwarte mannelijke leden van de kerk tot het priesterschap geordend. Ook blijkt uit de geschiedenis van de kerk dat de kerkleiders al vroeg ophielden met het verlenen van het priesterschap aan zwarte mannen van Afrikaanse afkomst". Door deze aanpassing werd duidelijk gemaakt dat de restrictie er niet was vanaf het begin van de herstelling van de kerk. Pas na de dood van Joseph Smith tot 1978.
Tot slot nog deze woorden van president Dallin H. Oaks uit zijn toespraak Alle mensen overal: "Hij nodigt allen uit. We begrijpen man en vrouw. We begrijpen ook zwarte en witte, wat alle rassen betekent. Maar hoe zit het met slaaf en vrije? Tenslotte is een slaaf ook iemand die gevangen is door de beperkingen van andere onjuiste denkbeelden. De profeet Joseph Smith heeft gezegd dat wij de gevangenen bevrijden". Is onderwijzen over de vloek van Kaïn en Cham, dat een verkeerd denkbeeld is, in wezen ook niet een vorm van bevrijden, maar nu van verkeerde gedachten? Blijkt hieruit niet opnieuw het belang van onderwijs? Vervolgens eindigt president Oaks dit stukje met deze woorden:
"Onze Heiland
nodigt allen uit om tot Hem te komen
en deel te hebben aan zijn goedheid,
Hij verwerpt niemand die tot Hem komt
en allen zijn voor God gelijk"
2 Nephi 26:33
